Gedichten
-
BANYOLES
Wat voor een ouwe, sentimentele zak
Ben ik geworden
Dat ik het heldere water van het meer mooi vind,
De lichtgroene vis, die zich door het riet slingert,
De moeder-eend met haar vier jongen
Op de oever in de zon?De stemmen van de kinderen verderop in het zwembad?
Als een sentimentele, ouwe zak loop ik de stad in.
Het is veertig graden, maar godskolere
Wat hou ik van die zuidelijke zon,
Die voorchristelijke, heidense warmte,
Die al het menselijke denken en praten laat verdampen
In het vreemde voorrecht er te zijn.In de verte ligt de top van de Moeder Gods der Bergen,
Die ik gisteren op 73-jarige leeftijd
Op het heetst van de dag
Op een gehuurde racefiets heb beklommen,
Zonder vandaag enige terugslag te voelen.Geprezen zij de grote afwezige God van het niets,
Waardoor dit alles mogelijk is.
Mooi zijn de daken van de huizen,
Waar de zwaluwen ‘s avonds
Luid krijsend boven zwieren.De vogels begrijpen het leven
Zonder te begrijpen wat het ware begrijpen is.
De rest is het gemompel van slenteraars
Zoals ik.Wat voor een ouwe, sentimentele zak
Ben ik geworden dat ik vandaag blij ben dat ik leef,
Dat ik het mee mag maken allemaal.
De jonge vrouw die zojuist
Een nieuwe badhanddoek heeft gekocht op de markt
En hem nu voor haar vrienden op het terras demonstreert
Alsof het de lap van een stierenvechter is.Wat een schitterende meid is ze!
Knettergek, maar geweldig,
Lachend op weg naar een rampzalige toekomst,
Maar wat doet dat ertoe?
Direct vertrekt ze en zal ik haar nooit meer zien.Niets is vanzelfsprekend vandaag,
Niets mag ooit nog vanzelfsprekend zijn.
Wat ben ik voor een ouwe,
Vervelende, sentimentele ouwe zak geworden
Dat ik vind dat niets ooit nog vanzelfsprekend mag zijn?Ik lijk wel een dichter!
Geen poëzie vandaag, geef mij de zon maar
En het meisje van de bar, die een tatoeage van een kat
Met een groen oog op haar bovenarm heeft
En een sterretje achter haar rechteroor.
Deze boze punkgriet
Brengt me met een glimlach thee en water.
Alles wat interessant is en waar het om gaat,
Ligt buiten de woorden.
Het leven is niets van wat je erover kunt zeggen.Hier wilde ik het voor vandaag maar bij laten.
-
OP MIJN TACHTIGSTE VERJAARDAG
De avond valt, maar ik moet doorgaan,
Omdat er nog paarden zijn,
Die het hoofd heffen, de oren naar voren steken
En in hun benen de drang voelen
De aarde onder zich weg te ranselen,
Krachtig en nauwelijks te beteugelen -Machtige paarden,
Die nog briesen op de landweg
Met hun staarten zwaaiend in de wind.Ik mag niet ophouden,
Want door een strakke bries voortgedreven
Golft het water nog
Over de ondergelopen kribben
En door de struiken,
Die radeloos naar de hemel grijpen
Met in de verte een huis aan de overkant,
Waarin zich dingen hebben afgespeeld
Die niemand nog weet.Zolang de vrouw nog naakt
Onder haar lange, ruime zomerjurk
Met glazen wijn rondgaat in de tuin
En handen verlangen
Haar bleke, romige eenzaamheid te betasten
Zal ik door moeten gaan,
Onwetend, onvervuld en ongezien,
Terwijl de oude muziek door de avond wervelt
Als een vergeten schoonheid dronken van herinneringen.Ondanks het praten, zingen en lachen
Zal de nacht nog vol geheimen zijn,
Geheimen van verschrikking en geluk,
Van hoop en hopeloosheid, van breekbare goedheid
En de niet te breken macht van het kwaad.
Misschien dat ik juist daarom door zal moeten gaan
En nog heviger door wil gaan ook.Ik zal blijven praten met de waanzin,
Die altijd gelijk heeft, praten,
Zolang mijn geest het nog trekt,
Impulsief, onnadenkend, vol roekeloze vergissingen,
Maar ook voorzichtig en ingehouden,
Bang de furie van het lot over me heen te krijgen. -
DE BEGRAFENIS VAN PIET
We waren met de urn in een plastic zak van de Lidl
Op weg naar de Oudezijds.
Daar wilde hij verstrooid worden als eerbetoon
Aan mooie nachten.
Zijn zus vertelde dat er vanaf zijn vroege jeugd
Al iets aan de hand was geweest in het hoofd van Piet.
Hij was een lastig kind, dat met iedereen ruzie maakte
En thuis niet te handhaven was.Op zijn veertiende had hij de muziek ontdekt
Als een vrije, waarachtige wereld
Naar wiens geest hij zich wilde schikken,
Gulzig, onverschrokken en met lak aan iedereen.
Dit had hem naar hoge toppen gevoerd en diepe dalen
Met een lichaam, dat langzaam uitgewoond werd
Door de wetten van de natuur,
Die zich niets aantrokken van de muziek of wat dan ook.Iemand zei dat hij een rebel was geweest
En, naast zijn periodes van geestelijk verval,
Op zijn tijd ook een zachtaardige, begrijpende jongen.
Een aantal vrouwen had getuigd
Van de vele kanten van zijn persoonlijkheid
En mensen uit de muziekwereld hadden gewag gemaakt
Van zijn uitzonderlijk talent, ook als schrijver.
Jammer dat ie samen met zijn hond
In vervuilde eenzaamheid geëindigd was,We kwamen aan op de gracht
En haalden de urn uit de zak. Het weer was goed,
Er lag een gevoelig licht over het water.
Het moment leek aangebroken zijn stoffelijke resten
Terug te geven aan het onbewuste van de stad.
Maar in plaats van op het water neer te slaan,
Dreef de aswolk in de richting van een sloep
Waarop vrolijk volk aan een met een wit laken gedekte tafel
Zich te goed zat te doen aan gerookte zalm en champagne.
Plotseling brak er aan boord een gekrijs van afgrijzen los
En werden telefoons tevoorschijn getrokken
Om de politie te waarschuwen.Wij maakten dat we wegkwamen
En zochten onze toevlucht in café Pleinzicht
Op de hoek van de Oudekennissteeg.
Hier waren we veilig.
Na enkele consumpties stelden we vast
Dat Piet de begrafenis van zijn leven had gehad.Zandvliet, 22, 10, 25,